Meerderheid OMO-ouders positief over prestatiebeloning uitblinkende leraar

10 mei 2011

Bijna driekwart van de OMO-ouders staat positief tegenover de selectie en beloning van uitblinkende leraren. Ze verwachten dat hierdoor de kwaliteit van het onderwijs aan hun kinderen zal verbeteren. Wel vinden zij de voorgestelde verhouding van 1 op 20 leraren te rigide. En ook willen ze heldere criteria om te voorkomen dat de teamgeest wordt ondermijnd.

Koers 2016

NKO en OMO hebben in april 2011 onder de ouders in de ouder- en medezeggenschapsraad van alle OMO-scholen een enquête gehouden. Daarin stonden twee vragen centraal:
1. Is prestatiebeloning wenselijk?
2. Bent u ervoor dat binnen uw school op elke 20 leraren er 1 als uitblinkende leraar wordt aangewezen?
In totaal zijn 51 van de 75 vragenlijsten terug ontvangen. Het onderzoek geeft daarmee een goede indicatie van de opvattingen en motieven van ouders. De teruggestuurde vragenlijsten zijn ingevuld door afzonderlijke ouderleden van de ouder- en medezeggenschapsraad en in enkele gevallen door de ouderraad als geheel.
Voor Ons Middelbaar Onderwijs is de opinie van ouders van groot belang. Zeker als het gaat om de kwaliteit en beloning van leraren. Deze twee onderwerpen staan dan ook centraal in Koers 2016; het strategisch plan van OMO voor zijn 35 scholen voor voortgezet onderwijs.

Conclusies

1. Bijna driekwart (72,5%) van de ouders vindt prestatiebeloning wenselijk. Ouders verwachten vooral dat het de kwaliteit van het onderwijs ten goede zal komen en dat het daarmee zal bijdragen aan de ontwikkeling van hun kinderen. Ook werkt het volgens hen motiverend en enthousiasmerend voor de collega’s. Nogal wat ouders refereren daarbij aan hun ervaringen in het bedrijfsleven. Er wordt ook gesproken van een grote omslag in het denken, die in het onderwijs gemaakt zal moeten worden.

2. De tegenstemmers wijzen op een aantal aandachtspunten en voorwaarden:
• welke criteria worden gehanteerd?;
• versterk het klimaat waarin leraren worden gestimuleerd te presteren;
• er zijn alternatieven voor persoonlijke financiële beloning, bijvoorbeeld scholing en publiekelijke waardering.

3. Het aantal voorstemmers daalt bij vraag 2 naar 49%. Door sommige ouders worden dezelfde argumenten genoemd (goed voor de motivatie, komt leerlingen ten goede) als bij vraag 1, maar tegelijkertijd vinden ze wél dat het niet de onderlinge teamsfeer moet verpesten.

4. De ‘neestemmers’ bij vraag 2 hebben hun twijfels over de criteria en het aantal excellente leraren per 20. Meestal vinden ze de voorgestelde verhouding (1 op de 20) te rigide. Veel liever wil men mogelijkheden voor maatwerk bij het onderscheiden van uitblinkende leraren per school. Sommigen zien meer soelaas in een immateriële beloning, zoals door bijvoorbeeld op een ludieke manier de leraar publiekelijk te prijzen. Of de leraar een bestemming voor vernieuwing en kwaliteitsverbetering laten bepalen voor het beschikbare bedrag. Men is met name bang dat het ‘scheve gezichten’ geeft binnen het team en de teamgeest ondermijnt.

Bron: 
Persbericht NKO en OMO 10 mei 2011